• Start
  • |
  • Nieuws
  • |
  • Biografie
  • |
  • Bibliografie
  • |
  • Werken
  • |
  • Gedichten
  • |
  • Proza
  • |
  • Audio
  • |
  • Foto
  • |
  • Koppelingen
  • |
  • Contact

 Proza

Het gehik van het ik Psilo en de dood Oma Liesje Deerlijk
       
Pizza peperkoek Psilo Een stenen moeder Het land van de wangen

 

 

Het gehik van het ik

fragment uit Pizza Peperkoek (2010), Poëziecentrum, Gent

 

Van niets gaat zoveel dreiging uit als van stilte. Zij evoceert het grote onbestaan. Bij overdrijving zou je kunnen stellen dat alles wat ik doe een vorm van confrontatie met haar is. Omdat ik haar als een aanklacht ervaar. Omdat zij mij beschuldigt en al meteen de strafmaat lijkt te bepalen: ´Wij,´ zegt de stilte, ´wij, de zwijgers, houden niet meer van je, wij achten je geen woord meer waard.´ Ik ben ervan overtuigd dat de dichter een soort muziek probeert te maken die de concurrentie met de stilte aankan. Een zo perfect mogelijke muziek, want een dichter moet niet alleen kunnen wedijveren met de stilte, maar ook met het teveel aan geluid in de wereld. Het komt erop aan het juiste geluid te maken om het verkeerde lawaai te overstemmen.
     Waarom moest uitgerekend de poëzie mijn medium worden toen ik nog maar een jaar of twaalf was? En niet bijvoorbeeld de muziek? Ik was toch een eminent lid van Het Mezennestje, laureaat van de (plaatselijk) wereldberoemde knapenkoorwedstrijd van Komen? Was ik een doodenkele keer zelfs geen voorzanger van Het Mezennestje? Bovendien had de pokdalige pianojuf die mij tegen mijn tiende de juiste vingerzetting bijbracht, mij ervan weten te overtuigen dat er werkelijk niets hogers bestond dan de muziek en dat het het hoogste was waarnaar ieder weldenkend mens moest streven.
     Wanneer is het begonnen? En hoe? Als een ziekte? Als iets met symptomen? Het was in elk geval een soort roeping. Heel plechtstatig en geëxalteerd. Ergens helemaal achter in de kerk van Sinte-Colomba in het West-Vlaamse Deerlijk. Maar matig geïnteresseerd in de voortgang der eucharistie, zat ik daar weg te dromen en intensief te piekeren over de manier waarop ik mijn leven na enkele teleurstellende schoolopstellen in de klas van meester Secember alsnog glans kon geven.
     Het opstel! Aanvankelijk bracht het me niets dan teleurstelling. Maar het had ook iets verleidelijks. Voor het eerst en voor het laatst wilde ik me per se bekwamen in iets wat ik niet kon. Wat mij toen al fascineerde was dit: je gebrek proberen te sublimeren tot een troef. Mezelf beschouwde ik in metaforische zin al vrij vroeg als een stotteraar. Maar ik wilde de beste stotteraar ter wereld worden; een fenomeen waar mensen van heinde en verre in dichte drommen op af zouden komen. Ze zouden zuchten: ´Nooit zo mooi weten stotteren.´
     Tijdens het eerste jaar van mijn middelbare school bleek ik een beroerd tekenaar te zijn. Maar terwijl het feit dat ik niet kon schrijven mij juist tot schrijven aanzette, dreven mijn gemankeerde grafische kwaliteiten me niet naar de plastische kunst. (Met grote moeite vatte ik later enige sympathie op voor de doeken van zo uiteenlopende schilders als Goya, Vermeer, De Braekeleer en Van Gogh, maar mijn voorliefde voor die laatste had veel met mijn liefde voor de Provence en het ´ventschap´ van de zichzelf ontlellende artiest te maken.) Ook mijn tanende zangtalent slaagde er niet in mij tot het belcanto te drijven. Ik werd de risee van mijn leeftijdgenootjes die met popmuziek dweepten, terwijl ik doordesemd raakte van operettes als Wienerblut en Die lustige Witwe, die uit mijn vaders bandrecorder galmden.
     Intussen kreeg ik de baard in de keel. Mijn stem zweefde van mij weg, weg van het dorp van mijn kinderjaren, weg van de jongensschool waarin mijn eerste talenten werden getest. Op het ogenblik dat zij zich al zo ver van mij verwijderd had dat ik haar niet meer kon horen, ontstond de behoefte aan een nieuwe stem, desnoods buiten de muziek. Noodgedwongen liet ik mijn koor voor wat het was, maar ik bleef wel overtuigd van wat mijn pianojuf mij had ingepeperd: dat alleen hij geliefd is die op minstens één terrein de beste is. En hét beste, dat was hoe dan ook de muziek.
     Wat zette mij nóg meer tot uitgerekend het schrijven van gedichten aan? Een of andere pueriele neiging? Of allicht het feit dat ik, nadat de schande van mijn aanvankelijk krakkemikkige schoolopstellen overwonnen was, tot het besef kwam dat ik geen enkel talent had om ooit in iets anders te excelleren? Ik had in elk geval het gevoel dat ik de waakvlam van de utopie van de perfectie brandend moest zien te houden.
     Heel precies kan ik de maand aangeven waarin ik dichter ben geworden: juni 1961. Na twee trimesters waarin ik van meester Secember respectievelijk 9,5 op 20 en 10,5 op 20 gekregen had, haalde ik in het derde trimester plotseling 18 op 20. Ik bleek dus toch over enig schrijftalent te beschikken. Ik had tot op dat moment eigenlijk altijd neergekeken op het onderdeel Opstel van het vak Moedertaal. Ik misprees het zoals ik ook Gymnastiek misprees. Ik wenste er niet de geringste inspanning voor te doen.
     Maar zodra de schande van die lage cijfers mij te groot werd, begon ik me ijverig op het schrijven toe te leggen. Vanaf toen werd ik de beste van de klas en gaf ik zelfs de vervelende nerds avant la lettre, die doorgaans in alles beter plachten te zijn, het nakijken. Wanneer ik de schaarse relikwieën van mijn scholierenjaren raadpleeg, stel ik vast dat ik daarnaast onverminderd goed bleef scoren voor Zang. Vandaar dat ik er nog altijd van uitga dat mijn wens om uitstekend te kunnen dichten in de eerste plaats een soort muzikale aanvechting was, vergelijkbaar met de wens van nagenoeg elke puber of adolescent om met behulp van een elektrische gitaar of een drumstel zijn eerste baltsgedrag kracht bij te zetten. Oud of jong: het is voor de liefde en voor niets anders dat wij het doen.
     Poëzie betekende, toen ik tergend langzaam twintig werd, in hoofdzaak de cultus van een jeugd die van geen ophouden wilde weten: nu niet, straks niet en eigenlijk nooit. Er stak, tekenend voor de jeugd, veel ikkerigheid en veel narcisme in me. Door mij fraaier voor te doen dan ik was, hengelde ik naar waardering. Niet die van het klootjesvolk, maar die van wie juist uit de band sprong. Het ging hem om een dandyesk spel met een leeftijd die niet wilde toenemen, de lachwekkende Peter Pan-achtige wens om niet oud te worden of om als een soort Dorian Gray eeuwig perfect te blijven. Al diende daartoe misschien wel jong gestorven: op mijn zevenentwintigste, zo had ik mij op een bepaald moment voorgenomen. De romantiek wilde nu eenmaal ook wat. En het volmaakte was een absolute vereiste. Meer nog: perfectionisme maakte deel uit van een poëtische levenshouding.
     Helaas weet ik intussen dat het vermogen om te vergelijken de mens ongelukkig maakt. Eén boutade staat me hierin al jaren bij: ´Claus is droevig omdat hij Shakespeare niet is en Shakespeare omdat hij God niet is.´ En zelfs die God is een overduidelijke tweederangsartiest. Tevredenheid betekent: er vrede mee hebben dat je maar een eervolle zesendertigste in plaats van een alom geadoreerde eerste bent. Datzelfde dubieuze vermogen om te vergelijken is evenwel noodzakelijk voor het bevorderen van de kwaliteit van poëzie. Ziedaar de onvermijdelijke clash van leven en dichten die leidt tot de enige mogelijke conclusie: poëzie is op de lange duur niet bevorderlijk voor het welbevinden van haar schepper. De statistiek bevestigt dat depressie vaker bij de lakei van de nutteloze muze dan bij de prozaïst voorkomt. Tegelijkertijd pleegt een dichter - van top tot teen vervuld van paradoxen en niet gespeend van enigszins pompeuze ernst - allicht vaker dan collega´s in ander literaire genres te opperen dat er maar één ding erger is dan schrijven: niet schrijven.
     Is geboren zijn dan niet voldoende? Is alleen maar geboren zijn wel toegestaan? (De choreografe Jeanne Brabants zegt ergens: ´Ik ben geboren en ik heb gedanst.´ Ik benijd de evidentie waarmee je zoiets kunt beweren.) Natuurlijk schrijf ook ik om mijn entree tot het leven te bekostigen. Schrijven, dat onzindelijke geknoei, is in mijn optiek altijd strafschrijven. En het is en blijft, of het nu al dan niet om bekentenislyriek gaat, altijd een vorm van al dan niet gecamoufleerd of gesublimeerd opbiechten. Het is tegelijk schuld bekennen en zich verontschuldigen, wat eigenlijk hetzelfde is, en het huldigt maar één doel: op vrije voeten te worden gesteld. De ellende is dat dit schrijven niet alleen betekent dat je vrijheid verovert, maar ook dat je je vrijheid hoe langer hoe meer beknot. Wat geschreven is, kan niet meer geschreven worden. Dat besef alleen al bezorgt mij een chronische writer´s block. Ik heb die zeer nodig, ben er evenzeer aan verknocht als aan het schrijven zelf. Bovendien is mijn schrijfkramp ook een vorm van zelfcensuur: ik wantrouw mijn pen, schrap nog voor ik iets geschreven heb in plaats van achteraf. Wie zijn dronkenschappen wil savoureren, moet weten wat nuchterheid is.
     Daarnaast heeft mijn lastige keuze voor een medium als de poëzie natuurlijk te maken met traagheid, ongeloof en gebrek aan enthousiasme, zaken die je beter kunt koesteren als je ook tot het tegenovergestelde in staat wil zijn. Ik zit kennelijk zo in elkaar dat ik elke dag met grote regelmaat niets dien te doen, verstrooid aan mijn bureautafel dien te zitten, toegewijd in mijn neus pulkend, om ten slotte ondanks alles tot iets vruchtbaars te komen.
     Uiteindelijk kampen wij allemaal met een gebrek aan talent. Om dat te compenseren, dienen wij soms macht na te jagen, of geld, of amourettes. Of wij moeten schrijven. Schrijvers houden er nu eenmaal de illusie op na dat zij enkel bestaan als zij schrijven. Zolang zij dat niet kunnen, hebben zij het gevoel dat zij niet deugen. Zo´n schrijfkramp dwingt hen zo snel mogelijk het tegenovergestelde te bewijzen: straks moeten en zullen zij debuteren, want alles wat zij tot dusver geschreven hebben, blijkt plotseling nog amper van tel. Dichters die zichzelf een beetje respecteren, behouden hun jeugdpuistjes tot zij hoogbejaard zijn, er zelfs dan nog van overtuigd dat elk nieuw gedicht dat uit hun pen vloeit, eigenlijk hun debuut is.
     Omdat ik er zorgvuldig getimede schrijfrituelen op nahoud, is zelfs mijn writer's block iets wat ik bijna kan plannen. Het meest geschikt is daar de middag voor, tijdens die volstrekt overbodige uren tussen twee en zes, wanneer het licht niet goed weet wat het wil. Dan zit ik aan mijn tafel, weliswaar bang voor het witte blad, maar zoals een leeuwentemmer bang is voor de leeuw: het is een angst waarvan ik leef. Zonder writer's block zou ik nooit schrijven.

 

top

 

Psilo en de dood

fragment uit Psilo (2007), De Arbeiderspers, Amsterdam

 

Het gebeurt in elk leven wel eens dat een mens een glimp wordt gegund op het moment dat hij dood moet. Meestal duurt dit niet lang en over he algemeen denkt een mens dan dat hij het verkeerd voor heeft. De dag daarop eet hij net zo goed gegrilde lamskoteletjes of stamppot met spek en hij drinkt er een bruin biertje bij.
     Het is in de late namiddag tussen vijf en zes. Of in de vroege ochtend tussen vijf en zes. Altijd tussen vijf en zes. Dan is het dat de dood, zeker in een warhoofd als dat van Psilo, het meest indruk maakt. Logisch! De dood is verliefd op grenzen. Ware het niet dat er per se gestorven dient te worden, hij zou echt niet weten wat grenzen zijn. Maar nu heeft hij helaas kennis genomen van Kierkegaard en Schopenhauer en Spinoza. In een collegebank: daar zit de dood, leunend op een elleboog, met hautaine wenkbrauwen, knabbelend op een pen.
     Psilo leest elke dag de overlijdensberichten in de krant. Om te weten wie vroeg gaat en wie laat. Op zoek naar vreemde namen ook. Simon Avontroodt. Alexandra Vandereeuwigheid. Gregoria Goetgeluk. Nathalia Naaktgeboren. En om erachter te komen of er inmiddels misschien toch, je weet maar nooit, een middel uitgevonden is om geheel en al, om niet te zeggen van top tot teen, onsterfelijk te worden. De onsterfelijkheid spreekt Psilo aan, zij is een van zijn belangrijkste drijfveren. En toch vindt hij hoe langer hoe meer dat het fijn moet zijn er niet te zijn. Psilo wil tegelijk zijn en niet zijn. Verdomd moeilijk! Hij wil vluchten van de plek waar hij het liefst voor altijd blijven wil. En ononderbroken gaat hij op zoek naar het oord waar niemand wonen kan.
     Het is nauwelijks na te gaan wat een mens ertoe aanzet per se onsterfelijk te willen worden. Maar Psilo heeft zo zijn vermoeden: het is de angst voor het donker. Elk kind is bang voor het donker en Psilo is nog een kind met een lijf vol onverlichte kelders en zolders. Hij wil een lapje in zijn leven, hij laat - ook overdag - altijd een lampje aan. Domme, domme Psilo! De dood is dol op lampjes. De dood woont in een kerstboom. Hij zoemt het Dies Irae boven de kerstkribbe en het Kindeken Jezus siddert van angst en vervloekt zijn mama.
     Maar er is in het leven van Psilo één lampje dat nooit uit zal moeten gaan. Hij zegt niet welk, lekker niet. Het blijft maar fonkelen, fonkelen, fonkelen. En Psilo glimlacht, fenomenaal.

 

top

 

Oma Liesje

fragment uit Een stenen moeder (2004), De Arbeiderspers, Amsterdam

 

Zij was mijn oma, een nog relatief jonge oma voor de kleinzoon van vier- of vijfendertig die ik toen al was. Dat jaar durfde zij voor het laatst nog aan de steile trap naar het naaiatelier te nemen. Hoe langer hoe meer begon zij te hinken. En hoe meer zij begon te hinken, hoe meer er in haar iets weg begon te vliegen. de jaren tachtig repten zich naar hun einde. Soms huilde zij ook, mijn oma, steeds vaker, en dat was echt. Zij had te veel respect voor tranen om ze te spelen. Zij vroeg mij talloze keren of mijn moeder niet te veel geleden had vlak voor haar einde, want het einde had zij gemist. Eén keer, terwijl zij aan het huilen was, bestond ik het iets gruwelijks te zeggen: 'Zal ik je Wenen eens laten zien?'. Het uur dat op die flauwe uitspraak volgde, was het enige in haar hele leven waarin zij weigerde met mij te spreken. Overigens: hoe meer zij weende, hoe minder om er voor mij overbleef. Hoe meer zij lachte, hoe meer er daarentegen nog van haar over was. Dan kreeg ik zelfs oma bij. En wanneer zij het uitgierde, bijvoorbeeld doordat ik haar kietelde, was zij wel heel, heel erg mij oma.
     Zij had ook neusgaten. Eigenlijk meer gaten dan neus, vond ik. Die gaten heten op weekdagen Spic en Span en op zon- en feestdagen Yin en Yang. De neus zelf heette Lilly. Dat was althans het koosnaampje, want officieel heette zij Gräfin Lilian Elisabeth von Oberammergau bis Assmannshausen. Dikwijls plaagde ik haar met Lilly's geringe présence. Dan zette ik mijn tanden in het naar onzichtbaarheid strevende neusje en deed ik alsof ik het wilde opeten. ''t Is toch de moeite niet om daar nog iets van over te laten', zei ik.
     Soms was het mij evenwel om de gaten te doen, en niet om de neus. Om daar de vrije beschikking over te krijgen moest ik haar met één arm in een wurggreep houden. Pas zo kon ik er, met mijn ene hand, opgerolde wikkels van Côte d'Or-bonbons in stoppen. Vervolgens hield ik haar keel vastgeklemd tot zij bereid was te herhalen: 'Ik ben een rinoceros.' De uitspraak moest correct zijn. Niet eerder liet ik haar weer los. Ik kende werkelijk geen genade. En intussen vloog er iets weg. En nog iets. En nog iets.

 

top

 

Deerlijk

fragment uit Het land van de wangen (1998), PrivéDomein, De Arbeiderspers, Amsterdam

 

Wij zijn eigenlijk uitsluitend gemaakt om te spelen. Om per dag drie pakjes sigaretten te roken en daar geen longkanker van te krijgen Om ononderbroken calvados en aquavit en marc de Bourgogne te drinken en daar alleen maar katerloos eufoor bij te blijven. Om te leven op een dieet van kalfszwezerik, ganzenleverpastei, chocolademousse en roomsoezen, en daar geen hartinfarct aan over te houden. Om te paren met de prachtigste dieren van de aarde, te weten Ornella Muti, de centerfold uit de laatste Penthouse en vooral die ene caissière van de Unic, en daar niet aan te bezwijken, vergast op syfilis of aids.

Wij zijn eigenlijk niet bedoeld voor de dood. Maar wij zijn volledig verkeerd geprogrammeerd. Omdat, wij toch katers en kankers krijgen, hartaanvallen en geslachtsziekten, en omdat wij koste wat het kost willen overleven in navolging van tulpen, hangbuikvarkens en duizendpoten, vinden wij enige panaceeën uit literatuur, muziek, eerbaarheid en zachtmoedigheid, liefde en God, en werk om elke dag naartoe te gaan. Allemaal cultuur. Allemaal boete. Allemaal smeergeld voor een later genot dat wij voortdurend uitstellen, tot het niet meer komt. Verliefd op wat niet meer komt. Verslaafd aan wat niet meer komt. Zo leven wij en wij vergeten te spelen. En wij weten niet meer waarom wij hebben geleefd.---'

Deerlijk, 14 januari 1995

Omdat ik wel eens een boek schrijf, wensen mensen mij bij het begin van het nieuwe jaar succes, en nooit geluk. Waarom? Heb ik geen recht op geluk misschien?

Deerlijk, 18 januari 1995

Het is zover. De hifi-installatie staat er. Hij zet La Bohème op voor zijn beminde, loeihard, en het tragische is: zij chenkt er geen aandacht aan. 's Middags begeleid ik haar met haar looprek van de tafel naar het bed. En even voor wij daar aankomen, blijft zij staan, is dan toch met geen stokken meer in beweging te krijgen. Net nu weerklinkt de geliefde aria van mijn grootouders, in het Frans: 'On m'appelle Mimi: Maar het is niet de herkenning van de melodie die haar halt doet houden. Zij weigert doodgewoon nog verder te gaan.

In huis staat een nieuw televisietoestel met een heel groot scherm. De wereld dient groter en groter te zijn opdat zij, Liesje en Knor, hem nog zouden zien. Knor heeft overigens zeer tegen zijn zin tachtigduizend frank neergeteld voor dit toestel. Hij sist: 'Dat zegt mij nu ne keer niets, televisie.' 'Schoon beeld,' zeg ik. Maar Knor werpt mij een bitsige blik toe. Hij verzekert mij dat de leverancier naar zijn geld zal kunnen fluiten.

Het voorval is een paar weken oud. Knor dreigt een tijdje zonder oppas te zitten. Hij belt tante Nieske op. Die zegt hem: 'Gij zijt toch geen klein kind meer, gij kunt toch wel een páár uur alleen zijn!' Toornig brult hij: 'Ik ben wél een klein kind!'

Het is een warme zondagmiddag, enkele uren later. Knor zit in zijn fauteuil in de donkerste hoek van de kamer. Alleen. Ik ben er niet. Niemand die op bezoek komt. Wie hij ook belt, niemand geeft thuis. De buren zijn op stap; de dokter is aan het 'poepen' aan zee. Wanhopig staart hij naar het telefoontoestel. Hij draait drie cijfers: het alarmnummer 100.

Geen vijf minuten later stopt, met loeiende sirene, een ambulance voor de deur. De hele straat in rep en roer. Wie op deze stralende dag toch thuisgebleven is, komt handenwrijvend en blijelijk hopend op een of ander beloftevol rampje naar buiten gesneld.

Twee ambulanciers banen zich, draagberrie tussen hen in, via de achterdeur een toegang tot het huis. In de woonkamer treffen zij tot hun niet geringe verbazing Knor, nog altijd knorrelijk, maar ook vorstelijk en vooral kerngezond in zijn fauteuil gezeten, nippend van een glaasje wijn. Op de vraag van de ene ambulancier wat er in godsnaam scheelt, antwoordt hij: 'Nietskes, 't is maar dat ik mij een beetje alleen voelde!' 'Jamaar, meneer!' zeggen zij, en vrijwel meteen druipen zij weer af. Een spoedgeval van eenzaamheid: niet daarvoor hebben zij een opleiding genoten.

Pas nu herinner ik mij dat ik hem de dag daarna vanuit de Provence heb opgebeld. Pas nu dringt de ware toedracht door van wat hij mij toen gezegd heeft: "t Was, milledzju, maar nen triestigen dag gisteren.' Uitleg gaf hij niet en vroeg ik ook niet. Wist ik veel dat hij bedoelde: 't was zondag, nergens ter wereld was er iemand thuis, en ik, ik voelde mij een beetje alleen.

 

top

 


© 2012 Luuk Gruwez