K IV Kliniek
Zij heeft zo lang gespaard voor al dat haaren bloost nu als een moffenhoer.
Het spookt in haar, scharnieren knarsen,
een heel verleden staat te rammelen.
Alleen haar schedel glundert nog,
omdat men leeft zolang men liegt.
Mijn liefste aapt mijn liefde na.
Het nachtkastje vertolkt haar trots.
Dat toch nog iemand om haar geeft
staat daar in tulp en roos te pronk.
Maar ook dat bloedig creatuur:
de kom waarin zij klonters spuwt.
Zij heeft zo lang geleefd met al dat haar
en is nu alles kwijt. En straks ook mij.
Zelfs haar gezwellen zijn mij lief
en al wat koppig verder leeft
als het maar bloedt of plast of piept.
Ik moet haar zoenen tot ze sterft.
