coureur

Ik ben niet gekomen om aan te komen,
ik ben allene maar gekomen om te starten.
En voor de gladiolen en de kussen
van de Druivenkoninginne.
Tenminste: als ik winne.
Maar als ik winne,'t is per toeval
of misschiens omdat ze mij laten gaan
als 't onder mijne kerktoren is.
En 't is per toeval als ze mij gaarne zien.

'k Ben zelfs niet gekomen om te starten,
want 'k ware vele liever niet gestart
en 'k ware liever niet gekomen.
't Probleem met 't starten is
- en vraagt ge 't mij, een groot probleem -
dat ge van kilometers verre aan moet komen
desnoods op uwen veló,
voordat ge eindelijk moogt starten.
't Is altijd were dezelfde miserie:
't is even verre naar den départ
als dat het is naar den arrivée.
En 'k heb, als één van d'enigste,
nog nooit een chique voiture gehad.
Maar 'k wille zo gaarne dat ze mij gaarne zien

't is waar dat 't hier wreed schone is.
De boerenhoven, den blauweregen,
en al die merries met dien damp rond hun konte
Ik ben van den buiten, ik ben van den boer,
en niet van den disco lijk mijn maten.
Ik ben van de frieten, niet van de grieten.
Maar 'k zie zo gaarne de kuiten van de meiskes,
surtout wanneer ik naar beneden kijke
en 'k kijke heel dikwijls naar beneden.

Daar staan ze dan, langs de greppels van de weg,
madelieven tussen madelieven, al mijn lieven,
en ge koerst maar en ge koerst maar
totdat ge bijkans genen asem meer hebt,
ge perst u verdorie de kloten van 't lijf
en ge weet: ge kunt ze toch niet krijgen.
En 'k kijke omhoge tot in hun kruis,
en 'k hapere en mijnen asem stokt.
Ik zie dat liever, vele liever,
dan de billen van mijn maten,
die 'k - à propos - ben beu gezien,

Demarreren?'t is van 't beste wat da 'k kanne,
weg, rap weg van al die stomme konten,
maar 'k doen het niet: voilà!
Misschien omdat ik daar te slim voor benne
of te lui, te leeg lijk dat ze hier soms zeggen,
lijk dat dat niet hetzelfden is:
slim en lui en leeg.

Als tante Fientje aan de kant staat,
tante Fientje, die maar vijf jaar ouder is,
tante Fientje met haren drapeau
en met haar proper fraksken aan,
en als ze dan allez, Gruwee roept,
dan steek ik d'r dikwijls weer een tandeke bij.
Ze zeggen wel dat 'k fin de carrière benne,
maar 'k hebbe niet eens een carrière gehad.
En 'k hebbe nooit, dat durf ik zweren,
ik hebbe nooit iets willen winnen.
Maar 'k wille zo gaarne dat ze mij gaarne zien.

't Is tegenwoordig overal fin de carrière,
lijk dat de wereld in de solden
en 't heelder dagen avond is.
Ze spreken toch ook van 't fin de siècle?
En siècle of carrière: dat is 't zelfde,
want dat is Frans en Frans dat is de tale
waarin ze iemand gaarne zien.
Gruwee, zeggen ze, Gruwee, Gruwee toch,
ge moogt u niet zo laten doen,
ge moogt u niet zo laten gaan
ge zijt gij niet fin de carrière.
Dat zit allene maar in uwen kop.

En tegen den avond - leeggereden
en eindelijk, eindelijk gearriveerd -
dan gaan ik onder de douche staan,
met mijnen smoel vol taches de beauté:
't is Frans en 't klinkt veel schoner dan slijk.
Maar 't moet er, Frans of niet, altijd weer af.

Ze mogen morsen, allemale, ikke niet.
En morsen is van 't liefste wat ik doe.
Modder morsen, want ik ben een zwijn.
Maar 't ligt in mijn nature en in heel mijn wezen
het zwijn te zijn van de druivenkoninginne
en 't zwijn, vooral, van tante Fientje.
't Is waar dat 't hier wreed schone is,
maar 'k hebbe soms enorm veel goestinge
met al de modder van de wereld
koleirig naar den hemel te smijten.
Hoe doet ge dat, vertel het mij:
niet winnen en d'r toch voor zorgen
dat z'u verdomme gaarne ziet?

(Met dank aan Hugo Claus, Eriek Verpale, Rik Van Steenbergen, Briek Schotte, Rik Van Looy, Jef Planckaert, Ward Sels en mijn twaalfjarige zelf)