De maand van Marie
't Is hier allemale gebeurd, in dezen wijk. En niemand maakt mij wijs dat er daar echt zoveel verschil tussen is, tussen dezen wijk en heel de wereld. Later is 't nooit meer 'tzelfde geweest: zovele dat er intussen veranderd is! Hier en daar woont er nu zelfs ne fijne kop. De levers zijn vele verbeterd en 't plezier is serieus verminderd. En wie ramasseert er nog konijnenvellen of oud ijzer? Maar de mane is nog dezelfde. Als ze vol is, dan is ze vol. Dan kan ik niet slapen en dan kijk ik door mijn venster. Als 't nen schonen zomernacht is, lijk dat ze d'r tegenwoordig niet vele meer maken, dan zitten d'r sterren uit en stillekes zeg ik dan: Jantje Patat, Line Slekke, Kinne, Rebbe, Knuiste. Allemale dood. Meestal van te leven. Zelfs Perluut is ondertussen foutu. Niet van 't herte en ook niet van zijne lever.En ik - op zo nen schonen zomernacht - als ik soms kijke naar't grootste licht van al, dat licht dat brandt lijk een enorme lampe, dan is 't niet janneke Mane die 'k zie, en mijn ogen zijn pertanks nog goed. 't Is Pietje Pinte. In zijnen magnifieken ballon, die daar voorgoed blijft hangen. Allene maar voor mij. Al zijn kleingeld strooit hij over mij uit en hij vliegt nooit meer van mij weg. 't Is genoeg da 'k mij nog vermindeén elixireken ingiete, één elixireke te vele misschiens, en 'k hore hem al zingen van `Plaisir d'amour'. 'k Zette 't venster wagenwijd open en 'k zinge mee. En 't kan mij niet schelen dat 't zo vals is lijk een katte. Als 't maar klinkt tot aan den hemel. En 't kan mij niet schelen dat de geburen misschiens peinzen: daar is ze were, Marie, die zottekonte. Hij is van mij en van niemand anders. 't Is dan eindelijk gedaan met: `Waf waf wafwaf wafwaf.' De mane blaft niet, de mane zingt. De mane is heeltegans bedekt met witte konijnenvellen. En op de schoonste van al die witte konijnenvellen liggen wij eindelijk nog ne keer t' hope, Pietje Pinte en ik. En heel de wereld mag ons horen. En heel de wereld móet ons horen.
