solo e pensoso

Ben ik een zanger of een godje uit een shoarmatent,
een mankementige charmeur, een potentaat?
Ik slenter op een vrijdagochtend in april
met opgezette kraag langs de kapellen

van de wellust in de Aarschotstraat. Ik gluurde en loer
als was ik op een jachtrevier waar ik die lepe rotnatuur
incognito betrappen wil op - zonder meer -
haar mooiste wild. En dat het hier niet Brussel is,

ondermaans en vies en met een lucht van pis,
maar een welriekend hemel dal bij Avignon
in dertienhonderd zevenentwintig, heel precies:
dit alles leert mij, domme dichter, mijn lectuur.

Toch wenkt er mij van tijd tot tijd een draadloze pausin
met gsm die achter glas daareven nog te breien zat
en die in Blue Lagoon of in Bar Edelweiss
een kusmond zet (als van een goudvis in een kom)

en naar mij glimlacht met haar hedendaagse kont.
Maar het is Lore niet die naar mij lonkt.
Mijn Lore ging compleet voor mij verloren
vanaf het ogenblik dat ik haar vond.