Prozafragmenten

Beverenstraat 21, anno 1956 (ingekorte versie)

Fragment uit Een stenen moeder (2004) De Arbeiderspers, Amsterdam

Ik was drie. Mijn moeder moest per se ergens een kind gaan kopen en dus, zo probeerde men mij te sussen, kon het wel even duren voor zij zou terugkomen. Zij stond bekend om haar delicate schoonheid en om haar fragiele zenuwen. Daarom werd ik, net zo´n zenuwlijder als zij, alvast preventief geaborteerd uit haar omgeving. In een zijstraat van de straat waar wij woonden, lag het huis van mijn grootouders, voor mij eigenlijk vooral dat van Liesje, mijn grootmoeder. Daar werd ik ondergebracht.
Mijn moeder bleef maar weg. Ik dacht aldoor dat ik haar nooit meer zou terugzien, tot zij ten slotte toch met een meisje thuiskwam dat stomtoevallig mijn zusje bleek te zijn. Ik vroeg mij af wie van ons beiden het duurst was geweest. Ik dacht: mijn zusje. Want naar haar ging nu alle aandacht.

Ook als baby had ik al geruime tijd bij oma Liesje verbleven. Toen had zij zich over mij ontfermd omdat mijn moeder in de Kortrijkse Sint-Sebastiaanlaan 2a in één moeite door en zonder veel onderscheid mijn geboorte en de geelzucht te boven had proberen te komen.
Op foto´s uit de tijd die hierop volgde, kan ik vandaag niet anders dan dit vaststellen: door die onnozele geboorte van me begon mijn moeder haar feeŽrieke, bovenmenselijke schoonheid te verliezen. Louter en alleen door geboren te worden was ik de moordenaar van het meisje in mijn moeder geworden en vervolgens had ik dat postume meisje in giftig geel geverfd, waarna ik haar geleidelijk aan had opgeblazen tot een weldoorvoede matrone.
Dat huis in Kortrijk, mijn eerste huis dus, of beter, mijn nulde huis (want het enige waaraan ik geen enkele herinnering zou bewaren), beschouw ik tot op de huidige dag als het grote niemandsland. Tijdens de twee jaar dat ik er als kleine etter mijn domicilie had, verbleef ik evenwel het vaakst acht kilometer verder, in Deerlijk, meer bepaald in de Beverenstraat 21, bij Liesje. Bij haar begon het leven dat ik mij herinner.

Kan een plek een mens echt blij maken of beeldt hij zich dat maar in? Of is dat de enige blijdschap die er bestaat: de ingebeelde? Als er tot ver buiten mijn kindertijd één oord geweest is dat ik met geluk heb geassocieerd, dan is het wel dat van de Beverenstraat in de jaren vijftig. Ik was een angstig kind en had, altijd bang voor de nacht, aanvallen van paniek bij het geringste gerucht dat mij verdacht in de oren klonk. En alles klonk mij verdacht in de oren.
Oma Liesjes huis was een nogal saai half vrijstaand bouwsel met veel jarendertigdeftigheid en dito moderniteit. De talrijke bekenden van mijn grootouders plachten het via de achterdeur te betreden. Daardoor belandden zij pardoes in de keuken, voor mij het sanctuarium met een indrukwekkend Amerikaans fornuis als hoogaltaar. Van alle gelukzalige plekken in het huis was dit de plek die ik nog het meest met gelukzaligheid associeerde. Het was het domein van de volmaakte moederlijkheid, tevens de plaats waar ik dankzij Liesjes amourettes met leverpasteien, krentenbroden, mergpijpen en kaassoufflés zelf van culinaire obsessies en allerhande vraatzuchtigheden doordrongen raakte, waardoor ik mijn orale fase ad infinitum zou continueren.

Halverwege de jaren vijftig was er een televisie in huis gekomen, een van de eerste in Deerlijk. Ongetwijfeld zat ik voor het scherm op de dag dat de actrice Grace Kelly met prins Rainier van Monaco trouwde. Maar een visuele herinnering heb ik daar eigenaardig genoeg niet aan. Wel hoor ik, nu nog, bij herhaling die ene naam, Grace Kelly, als de toverclausule voor de ontsluiting van de absolute vrouwelijke schoonheid. Die naam, zovele keren en met zoveel ovaties in de stem door elk van mijn naasten uitgesproken, die naam volstond. Daarbij naderhand beeld te moeten ontberen, voedde alleen maar het flamboyante fantasme. Dat werd overigens uitentreuren versterkt toen mijn oma mij jaren later vertelde wat mensen in Deerlijk ooit over mijn moeder hadden beweerd: dat zij als twee druppels water op Grace Kelly leek. Wat hadden zij daar in godsnaam mee bedoeld? Dat zij eens de evenknie was geweest van - min of meer - de mooiste vrouw ter wereld?

Pépé Jules, Jules Julien om precies te zijn, Juju, mijn fanatiek in nukkigheid grossierende overgrootvader, die bij mijn grootouders inwoonde en die het geringste gelach als lawaaihinder of als een persoonlijke krenking beschouwde, had soms moeite om een glimlach te onderdrukken wanneer mijn moeder in zijn buurt was. Meer nog: hij leek dan zowaar te stralen. En dit ondanks zijn eeuwige gemor, die premature rigor mortis, en het feit dat hij er elk uur van de dag aan herinnerd werd dat een etage hoger een wezen huisde, kennelijk zijn echtgenote, dat almaar riep dat zij plassen of kakken moest en dat zij honger had of dorst of pijn. Zij was ten zeerste het tegenbeeld van Grace Kelly en zou weldra, zegge en schrijve anno 1957, in de camaraderie van Oliver Hardy en Humphrey Bogart, maar helaas zonder oscar, de kraaienmars blazen. Ik herinner mij niet haar ooit gezien te hebben, mijn overgrootmoeke, maar des te meer heb ik haar gehoord. Zij zat vol kalk. Zo simpel was de ziekte van Alzheimer toen nog. Gewoon een kwestie van ´kalk´
Alles had in die tijd overigens nog een andere naam: ´Be-Bop-a-Lula´ van Gene Vincent en `Rock Around the Clock´ van Bill Haley, namen en titels die mij in ´56 en ´57 hoogstens onbewust bekend waren, werden te onzent zeer misprijzend ´van dienen raren, nieuwen dzjasmuziek´ genoemd. Het was precies alsof de mensen nog niet alle woorden veroverd hadden, of dat de taal nog niet lang genoeg bestond. Ik was zelf desperaat op zoek naar woorden. Erbij horen betekende niet: oud genoeg zijn. Wel: al genoeg woorden hebben. Volwassenheid (ook die welke ik later tussen de benen zou situeren) was louter en alleen een kwestie van woorden. De Nederlandse woordenschat was het enige geslachtsorgaan van de Lage Landen dat er werkelijk toe deed.
Volwassenheid had ook met de dood te maken. In 1956 stierf, op zesendertigjarige leeftijd, een jaar nadat hij wereldkampioen geworden was, de eerste wielrenner over wie ik ooit had horen praten, Stanneke Ockers. Maar dat was een ver soort sterven. Dichterbij, in de Beverenstraat 21, kwam er op 7 december 1957 een eind aan het lawaai op de eerste etage. Maria Celina Verschaete, mijn inmiddels compleet verkalkte overgrootmoe, deed er definitief het zwijgen toe. Ik woonde toen al opnieuw bij mijn ouders, een straat verder, maar ik weet nog hoe in de Beverenstraat de salon tot rouwkapel werd omgetoverd. En ik herinner mij pépé Juju nog. Hoe hij, althans in gezelschap, helemaal niet liet merken dat hij ooit met Maria Celina getrouwd was geweest, maar hoe hij zich nu wel verschillende uren per dag terugtrok bij zijn overleden vrouw. Eén keer in die dagen tilde mijn moeder mij op haar arm en ze nam mij mee naar de intussen dichtgespijkerde kist met het lijk van overgrootmoe. Wij bleven in de deur staan. Pépé Juju, in een stoel voor de kist, draaide zich om. Ik wist niet of het naar mij was dat hij glimlachte, of naar mijn moeder. Er werd voor het eerst iets als een kleuterwijsheid over mij vaardig: dat huizen, net als mensen, vroeg of laat verlaten werden. En dat er niets kon geschapen, gemaakt of geboren worden wat niet bestemd was voor de sloop.

Psilo en de dood

Fragment uit Psilo (2007), De Arbeiderspers, Amsterdam

Het gebeurt in elk leven wel eens dat een mens een glimp wordt gegund op het moment dat hij dood moet. Meestal duurt dit niet lang en over het algemeen denkt een mens dan dat hij het verkeerd voor heeft. De dag daarop eet hij net zo goed gegrilde lamskoteletjes of stamppot met spek en hij drinkt er een bruin biertje bij.
Het is in de late namiddag tussen vijf en zes. Of in de vroege ochtend tussen vijf en zes. Altijd tussen vijf en zes. Dan is het dat de dood, zeker in een warhoofd als dat van Psilo, het meest indruk maakt. Logisch! De dood is verliefd op grenzen. Ware het niet dat er per se gestorven dient te worden, hij zou echt niet weten wat grenzen zijn. Maar nu heeft hij helaas kennis genomen van Kierkegaard en Schopenhauer en Spinoza. In een collegebank: daar zit de dood, leunend op een elleboog, met hautaine wenkbrauwen, knabbelend op een pen.
Psilo leest elke dag de overlijdensberichten in de krant. Om te weten wie vroeg gaat en wie laat. Op zoek naar vreemde namen ook. Simon Avontroodt. Alexandra Vandereeuwigheid. Gregoria Goetgeluk. Nathalia Naaktgeboren. En om erachter te komen of er inmiddels misschien toch, je weet maar nooit, een middel uitgevonden is om geheel en al, om niet te zeggen van top tot teen, onsterfelijk te worden. De onsterfelijkheid spreekt Psilo aan, zij is een van zijn belangrijkste drijfveren. En toch vindt hij hoe langer hoe meer dat het fijn moet zijn er niet te zijn. Psilo wil tegelijk zijn en niet zijn. Verdomd moeilijk! Hij wil vluchten van de plek waar hij het liefst voor altijd blijven wil. En ononderbroken gaat hij op zoek naar het oord waar niemand wonen kan.
Het is nauwelijks na te gaan wat een mens ertoe aanzet per se onsterfelijk te willen worden. Maar Psilo heeft zo zijn vermoeden: het is de angst voor het donker. Elk kind is bang voor het donker en Psilo is nog een kind met een lijf vol onverlichte kelders en zolders. Hij wil een lapje in zijn leven, hij laat - ook overdag - altijd een lampje aan. Domme, domme Psilo! De dood is dol op lampjes. De dood woont in een kerstboom. Hij zoemt het Dies Irae boven de kerstkribbe en het Kindeken Jezus siddert van angst en vervloekt zijn mama.
Maar er is in het leven van Psilo één lampje dat nooit uit zal moeten gaan. Hij zegt niet welk, lekker niet. Het blijft maar fonkelen, fonkelen, fonkelen. En Psilo glimlacht, fenomenaal.

Oma Liesje

Fragment uit Een stenen moeder (2004), De Arbeiderspers, Amsterdam

Zij was mijn oma, een nog relatief jonge oma voor de kleinzoon van vier- of vijfendertig die ik toen al was. Dat jaar durfde zij voor het laatst nog aan de steile trap naar het naaiatelier te nemen. Hoe langer hoe meer begon zij te hinken. En hoe meer zij begon te hinken, hoe meer er in haar iets weg begon te vliegen. de jaren tachtig repten zich naar hun einde. Soms huilde zij ook, mijn oma, steeds vaker, en dat was echt. Zij had te veel respect voor tranen om ze te spelen. Zij vroeg mij talloze keren of mijn moeder niet te veel geleden had vlak voor haar einde, want het einde had zij gemist. Eén keer, terwijl zij aan het huilen was, bestond ik het iets gruwelijks te zeggen: 'Zal ik je Wenen eens laten zien?'. Het uur dat op die flauwe uitspraak volgde, was het enige in haar hele leven waarin zij weigerde met mij te spreken. Overigens: hoe meer zij weende, hoe minder om er voor mij overbleef. Hoe meer zij lachte, hoe meer er daarentegen nog van haar over was. Dan kreeg ik zelfs oma bij. En wanneer zij het uitgierde, bijvoorbeeld doordat ik haar kietelde, was zij wel heel, heel erg mij oma.
Zij had ook neusgaten. Eigenlijk meer gaten dan neus, vond ik. Die gaten heten op weekdagen Spic en Span en op zon- en feestdagen Yin en Yang. De neus zelf heette Lilly. Dat was althans het koosnaampje, want officieel heette zij Gräfin Lilian Elisabeth von Oberammergau bis Assmannshausen. Dikwijls plaagde ik haar met Lilly's geringe présence. Dan zette ik mijn tanden in het naar onzichtbaarheid strevende neusje en deed ik alsof ik het wilde opeten. ''t Is toch de moeite niet om daar nog iets van over te laten', zei ik.
Soms was het mij evenwel om de gaten te doen, en niet om de neus. Om daar de vrije beschikking over te krijgen moest ik haar met één arm in een wurggreep houden. Pas zo kon ik er, met mijn ene hand, opgerolde wikkels van Côte d'Or-bonbons in stoppen. Vervolgens hield ik haar keel vastgeklemd tot zij bereid was te herhalen: 'Ik ben een rinoceros.' De uitspraak moest correct zijn. Niet eerder liet ik haar weer los. Ik kende werkelijk geen genade. En intussen vloog er iets weg. En nog iets. En nog iets.

Deerlijk

Fragment uit Het land van de wangen (1998), Privé-Domein, De Arbeiderspers, Amsterdam

Wij zijn eigenlijk uitsluitend gemaakt om te spelen. Om per dag drie pakjes sigaretten te roken en daar geen longkanker van te krijgen Om ononderbroken calvados en aquavit en marc de Bourgogne te drinken en daar alleen maar katerloos eufoor bij te blijven. Om te leven op een dieet van kalfszwezerik, ganzenleverpastei, chocolademousse en roomsoezen, en daar geen hartinfarct aan over te houden. Om te paren met de prachtigste dieren van de aarde, te weten Ornella Muti, de centerfold uit de laatste Penthouse en vooral die ene caissière van de Unic, en daar niet aan te bezwijken, vergast op syfilis of aids.

Wij zijn eigenlijk niet bedoeld voor de dood. Maar wij zijn volledig verkeerd geprogrammeerd. Omdat, wij toch katers en kankers krijgen, hartaanvallen en geslachtsziekten, en omdat wij koste wat het kost willen overleven in navolging van tulpen, hangbuikvarkens en duizendpoten, vinden wij enige panaceeën uit literatuur, muziek, eerbaarheid en zachtmoedigheid, liefde en God, en werk om elke dag naartoe te gaan. Allemaal cultuur. Allemaal boete. Allemaal smeergeld voor een later genot dat wij voortdurend uitstellen, tot het niet meer komt. Verliefd op wat niet meer komt. Verslaafd aan wat niet meer komt. Zo leven wij en wij vergeten te spelen. En wij weten niet meer waarom wij hebben geleefd.---'

Deerlijk, 14 januari 1995

Omdat ik wel eens een boek schrijf, wensen mensen mij bij het begin van het nieuwe jaar succes, en nooit geluk. Waarom? Heb ik geen recht op geluk misschien?

Deerlijk, 18 januari 1995

Het is zover. De hifi-installatie staat er. Hij zet La Bohème op voor zijn beminde, loeihard, en het tragische is: zij chenkt er geen aandacht aan. 's Middags begeleid ik haar met haar looprek van de tafel naar het bed. En even voor wij daar aankomen, blijft zij staan, is dan toch met geen stokken meer in beweging te krijgen. Net nu weerklinkt de geliefde aria van mijn grootouders, in het Frans: 'On m'appelle Mimi: Maar het is niet de herkenning van de melodie die haar halt doet houden. Zij weigert doodgewoon nog verder te gaan.

In huis staat een nieuw televisietoestel met een heel groot scherm. De wereld dient groter en groter te zijn opdat zij, Liesje en Knor, hem nog zouden zien. Knor heeft overigens zeer tegen zijn zin tachtigduizend frank neergeteld voor dit toestel. Hij sist: 'Dat zegt mij nu ne keer niets, televisie.' 'Schoon beeld,' zeg ik. Maar Knor werpt mij een bitsige blik toe. Hij verzekert mij dat de leverancier naar zijn geld zal kunnen fluiten.

Het voorval is een paar weken oud. Knor dreigt een tijdje zonder oppas te zitten. Hij belt tante Nieske op. Die zegt hem: 'Gij zijt toch geen klein kind meer, gij kunt toch wel een páár uur alleen zijn!' Toornig brult hij: 'Ik ben wél een klein kind!'

Het is een warme zondagmiddag, enkele uren later. Knor zit in zijn fauteuil in de donkerste hoek van de kamer. Alleen. Ik ben er niet. Niemand die op bezoek komt. Wie hij ook belt, niemand geeft thuis. De buren zijn op stap; de dokter is aan het 'poepen' aan zee. Wanhopig staart hij naar het telefoontoestel. Hij draait drie cijfers: het alarmnummer 100.

Geen vijf minuten later stopt, met loeiende sirene, een ambulance voor de deur. De hele straat in rep en roer. Wie op deze stralende dag toch thuisgebleven is, komt handenwrijvend en blijelijk hopend op een of ander beloftevol rampje naar buiten gesneld.

Twee ambulanciers banen zich, draagberrie tussen hen in, via de achterdeur een toegang tot het huis. In de woonkamer treffen zij tot hun niet geringe verbazing Knor, nog altijd knorrelijk, maar ook vorstelijk en vooral kerngezond in zijn fauteuil gezeten, nippend van een glaasje wijn. Op de vraag van de ene ambulancier wat er in godsnaam scheelt, antwoordt hij: 'Nietskes, 't is maar dat ik mij een beetje alleen voelde!' 'Jamaar, meneer!' zeggen zij, en vrijwel meteen druipen zij weer af. Een spoedgeval van eenzaamheid: niet daarvoor hebben zij een opleiding genoten.

Pas nu herinner ik mij dat ik hem de dag daarna vanuit de Provence heb opgebeld. Pas nu dringt de ware toedracht door van wat hij mij toen gezegd heeft: "t Was, milledzju, maar nen triestigen dag gisteren.' Uitleg gaf hij niet en vroeg ik ook niet. Wist ik veel dat hij bedoelde: 't was zondag, nergens ter wereld was er iemand thuis, en ik, ik voelde mij een beetje alleen.